• Bert Fraussen

Verbinden of vertegenwoordigen?

Niemand is tegen verbinding. En de capaciteit om mensen en organisaties te verbinden is zonder twijfel heel waardevol en zelfs noodzakelijk om in onze huidige gefragmenteerde samenleving grote beleidsuitdagingen succesvol aan te pakken. Beleidsmakers op alle niveaus zijn hierdoor bijzonder gevoelig voor individuelen en maatschappelijke organisaties die sterk inzetten op een verbindende rol.


Terwijl we de mond vol hebben verbinding, wordt de vraag over vertegenwoordiging naar de achtergrond gedrukt. Nochtans is dit de essentiële rol van belangenorganisaties: duurzame en structurele relaties aangaan met hun leden of achterban, hen betrekken in de interne werking en besluitvorming, en hun stem op een authentieke manier laten klinken in het publieke en politieke debat. Het is net door het goed invullen van deze vertegenwoordigende rol, en hiervoor de gepaste interne structuren en processen uit te werken, dat ledenorganisaties veel potentieel hebben om een verbindende rol te spelen. Ze kunnen zowel signalen uit de samenleving vertalen en versterken, als politieke maatregelen aftoetsen en van context voorzien bij hun brede achterban. Door hun vertegenwoordigend karakter vormen ze een unieke en dynamische schakel tussen maatschappelijke groepen en beleidsmakers. Belangenorganisaties zijn dus verbinders bij uitstek, ook al wordt er tegenwoordig vaak een contrast gemaakt tussen de capaciteit om te vertegenwoordigen en het vermogen te verbinden.


Belangenorganisaties zijn dus verbinders bij uitstek, ook al wordt er tegenwoordig vaak een contrast gemaakt tussen de capaciteit om te vertegenwoordigen en het vermogen te verbinden.

Ik moest veel denken aan deze valse tegenstelling tussen verbinden en vertegenwoordigen tijdens de recente discussie over de (mogelijke) vervanging van het Minderhedenforum, een meer klassieke ledenfederatie, door Join.Vlaanderen. Hierbij omschreef Vlaams minister van Gelijke Kansen Bart Somers Join.Vlaanderen als “een nieuwe dynamische netwerkorganisatie waar ook burgers, experts en andere actoren zoals onder andere universiteiten en werkgevers die geen lid zijn van een vereniging kunnen meewerken”, waardoor “meer mensen van buitenlandse afkomst zich effectief vertegenwoordigd (zullen) voelen” (De Standaard, 9 november).


Ondanks vele analyses in de media is er quasi geen aandacht gegaan naar de belangrijkste vraag, namelijk hoe beide organisaties vertegenwoordiging in de praktijk zullen brengen. Wie beschouwen ze als hun leden of achterban, en hoe zullen ze deze individuen en/of organisaties betrekken bij hun werking? Op welke beleidscapaciteiten wensen ze in te zetten? Prioriteren ze het realiseren van maatschappelijk draagvlak, het aanleveren van beleidsexpertise, deskundigheid op het vlak van beleidsimplementatie, of het mobiliseren en informeren van hun achterban? En de fundamentele vraag: hoe garandeert hun organisatiemodel dat ze deze representatieve claims en beleidscapaciteit(en) daadwerkelijk kunnen waarmaken?


Als we geen aandacht hebben voor bovenstaande vragen, zullen er in de toekomst veel organisaties opstaan die als spreekbuis wensen te fungeren voor een bepaalde groep in de samenleving, zonder daarbij duidelijk aan te geven hoe zij precies die achterban betrekken en vertegenwoordigen. Hoewel dergelijke organisaties misschien veel andere maatschappelijke organisaties aan zich kunnen verbinden, en inderdaad de vrijheid hebben om rond verschillende (politieke) dossiers samenwerkingsverbanden aan te gaan, is het maar de vraag of dergelijke organisaties hun belangrijkste verbindende rol kunnen waarmaken: een authentieke en noodzakelijk schakel tussen burger en politiek vormen.